Mijn wildste fantasieën

Mijn wildste fantasieën

Soms zeg ik voor de grap dat mijn karakters zichzelf bedenken.
Nou ja, écht waar is dat natuurlijk niet… maar als ik op de bank zit, een serie of film kijk en er ineens spontaan inspiratie omhoog borrelt, voelt het wel een beetje zo. Alsof er ergens in mijn hoofd een deur opengaat en er een nieuw personage naar buiten stapt met de mededeling: “Hoi, ik hoor bij dit verhaal nu.”

De karakters in The Whispers of Ember hebben ondertussen een soort permanent huurcontract afgesloten in mijn hoofd. Ze wonen daar nu. En als ik aan het schrijven ben, hoor ik ze bijna commentaar leveren op de keuzes die ik maak. Soms voelt het oprecht alsof ze met me meekijken: “Dat zou ik nooit zeggen,” of “Leuk geprobeerd, maar dit klopt niet met wie ik ben.” En precies daar begint voor mij de magie van personageontwikkeling.

Maar hoe komen die karakters dan eigenlijk tot stand? Het begint bij mij altijd heel simpel: in grove lijnen bedenken wat voor soort persoon het verhaal nodig heeft.

Bij Aria wist ik bijvoorbeeld al vrij snel dat ik een zorgzame, maar stoere vrouw wilde. Iemand die bereid is te vechten voor wat – en wie – ze belangrijk vindt. Geen perfecte heldin, maar iemand met lef, twijfels, pijn en een groot hart. Vanaf het moment dat ik dat wist, begon ik dialogen op te schrijven. Kleine stukjes gesprek, losse zinnen, reacties op situaties die nog niet eens volledig waren uitgedacht. En ergens in dat proces gebeurde het: Aria kreeg een eigen stem.

Dat is voor mij altijd een belangrijk kantelpunt. Op het moment dat ik een zin opschrijf en denk: “Ja, dit klinkt precies als háár”, dan weet ik dat een karakter niet meer alleen een idee is, maar een persoon in mijn hoofd.

Wat ik ontzettend belangrijk vind, is dat mijn karakters een achtergrondverhaal hebben. Of die achtergrond uiteindelijk helemaal expliciet in het boek terechtkomt, is voor mij minder relevant. Soms ziet de lezer maar een klein stukje van wat ik in mijn hoofd heb. Maar doordat ik wél weet waar ze vandaan komen, wat ze hebben meegemaakt en waar hun angsten en verlangens liggen, voelen ze voor mij veel echter tijdens het schrijven.

Haarkleur en oogkleur zijn bij mij vaak het minst belangrijke onderdeel – en die kunnen tot op het laatste moment nog veranderen. Ik merk namelijk dat het verhaal soms het karakter vormt, in plaats van andersom. Soms ontdek ik tijdens het schrijven dat iemand een bepaalde uitstraling nodig heeft om beter bij zijn of haar rol te passen. Dan schuif ik gerust nog met details.

Waar ik minder makkelijk aan verander, zijn hun innerlijke kompas, hun pijnpunten en hun manier van reageren. Dat is de kern. Daar bouw ik alles omheen.

Atlas was één van de weinige karakters waarbij ik van tevoren al veel wist. Zijn geschiedenis, zijn rol in het verhaal, zijn houding tegenover de wereld… veel daarvan stond al verrassend stevig voordat ik écht begon met schrijven. Toch blijft ook hij in beweging tijdens het proces. Geen enkel personage blijft precies zoals ik hem in de eerste schets bedacht had.

Een groot deel van mijn inspiratie haal ik uit het echte leven. Veel van mijn karakters zijn mengvormen van mensen om mij heen: een stukje van iemand zijn humor, een trek van iemand anders’ koppigheid, een blik, een manier van reageren. Geen directe kopieën, maar eerder collage-mensen. Juist daardoor kan ik mezelf nog meer in het verhaal gooien. Ik herken emoties, patronen en dynamieken, en dat maakt het makkelijker om eerlijk te blijven in hoe mijn personages reageren.

Kortom: mijn karakters bedenken zichzelf niet écht… maar soms voelt het wel alsof ze me een handje helpen. Ik geef ze een eerste vorm, een richting, een verleden. En daarna is het vooral een kwestie van goed luisteren naar de stemmen in mijn hoofd – de fictieve dan. 😉

Terug naar blog